Bloedschuld, een Bijbels principe

Sinds de opkomst van de vervangingstheologie in de 2e/3e eeuw, de vergeestelijking van de Bijbel in de 3e/4e eeuw onder invloed van het Griekse denken en het opkomen van het humanistisch denken in de 14e/15e eeuw is bloedschuld in de westerse wereld een onbekend principe geworden. Bloedschuld ontstaat wanneer een mens wordt vermoord. De Bijbel spreekt hier helder en duidelijk over maar door de zonden van voorgaande generaties ligt er een sluier over de christelijke wereld.

Het begint al bij de moord van Kaïn op Abel. Het bloed van Abel roept vanuit de aarde tot God,
lezen we in Genesis 4, vers 10. En tegen Noach zegt de HEER in Genesis 9, vers 6 dat wie het bloed
van een mens vergiet, diens bloed zal door de mens vergoten worden. Bloed is heilig voor God.
Bloed is de drager van de ziel, de drager van het leven. Er ligt een absoluut verbod voor de Israëliet
(de Jood) en voor iedere gelovige om bloed te eten. Een ieder die bloed eet moet uit het midden
van het volk uitgeroeid worden. Leviticus 17, vers 10. Want de ziel van het vlees is in het bloed.
Leviticus 17, vers 11 en 14. Dat geldt voor het bloed van dieren, maar evenzeer voor het bloed van
mensen. Als het om een dier gaat dat geslacht wordt voor een offer of voor de consumptie, moet
het bloed er altijd eerst uitgelopen laten worden.

Bloed is heilig en mag gebruikt worden om verzoening te bewerken. Het bloed van een offerdier
kan dienen ter verzoening. Exodus 30, vers 10. God zelf slacht de eerste twee dieren, waarschijnlijk
twee schapen, om met de huiden daarvan het in zonden gevallen eerste mensenpaar, dat beseft
dat het naakt is, te bedekken. Omdat bloed heilig is maakt het aanraken van bloed onrein. Een
verstikt slachtdier, een dier waar het bloed nog in zit, is daarom onrein. Een bloedvloeiende vrouw
is uit de aard van haar kwaal eveneens onrein en uitgesloten van de gemeenschap. Een vrouw die
een kind gebaard heeft, waarbij ook bloed vloeit, moet daarom na het baren door een offer in de
tempel gereinigd worden. Een vrouw is ook onrein in de dagen van haar menstruatie. In
Handelingen 15, vers 20 en 29 lezen we dat de gelovigen uit de volken zich ook moeten onthouden
van bloed en van het verstikte. Ook onder het nieuwe verbond gelden dus dezelfde regels m.b.t.
bloed en het verstikte.

De tien woorden (tien geboden) leren ons: Gij zult niet doden, in feite: Gij zult niet moorden.
Exodus 20, vers 13. Er ligt een zware straf op het doelbewust benemen van het leven van een
onschuldige ander: de doodstraf. Met het afschaffen van de doodstraf heeft de westerse wereld dit
door God ingestelde schuld en verzoeningsmechanisme opgeheven. Wat de HEER tegen Noach zegt,
zoals boven vermeld, is een Bijbels principe, ja een scheppingsprincipe van God. In Numeri 35, vers
33 lezen we dat het land niet ontheiligd mag worden doordat er onschuldig bloed vergoten wordt.
Want er kan geen verzoening gedaan worden als er onschuldig bloed vergoten is anders dan dat het
bloed van de schuldige aan deze moord vergoten wordt. Iemand die per ongeluk een ander het
leven had benomen kon vluchten naar een van de zes vrijsteden, en daar blijven tot de dood van de
hogepriester, maar wie dat bewust had gedaan mocht ook daar zijn toevlucht niet zoeken en moest
ter dood gebracht worden. Numeri 35, vers 6 t/m 34. Indien iemand door een onbekende was
gedood, dan moest de dichtst nabij zijnde stad de verantwoording nemen om daarover verzoening
te brengen, opdat het land niet verontreinigd zou worden. Deuteronomium 20, vers 1 t/m 9.

Samenvattend: Bloed, zowel van mens als dier, is de drager van de ziel, van het leven dat God heeft
gegeven. Bloed is daarom heilig. Bloed mag onder geen voorwaarde genuttigd worden. Bloed kan
gebruikt worden voor verzoening. Nog sterker het bloed van een rein offer(dier) is het enige middel
in de Bijbel dat gebruikt kan worden voor verzoening. Bloed van een onschuldig mens dat door een
ander bewust wordt vergoten, kost de ander zijn bloed opdat daardoor verzoening wordt gebracht.

Hier zien we het probleem met de afschaffing van de doodstraf in veel landen. Er wordt dan geen
verzoening meer gebracht voor het onschuldig vergoten bloed. Een eventueel levenslange
gevangenisstraf, maar veelal een kortere straf, weegt niet op tegen Gods Bijbelse principe van bloed
voor bloed ter verzoening. En zo blijft het land onder de vloek van het onschuldig vergoten bloed.
Jezus zegt in de Bergrede dat er totdat de hemel en de aarde voorbijgaan niet één jota of tittel van
de Wet zal voorbijgaan en dat wie één van de geringste van de geboden afschaft en de mensen zo onderwijst de geringste genoemd zal worden in het koninkrijk der hemelen. Mattheüs 5, vers 18 en
19.

De eis van God van recht en gerechtigheid voor de wereld en de inhoud van de Wet (de Thora)
zijn dus niet veranderd bij de komst van de Messias. Wat door zijn lijden, dood en verrijzenis wel is
veranderd is dat een schuldige bij een oprecht berouw en door een waarachtige schuldbelijdenis
zijn schuld nu kan afleggen bij Jezus en het kruis en dan vergeving en nieuw leven ontvangt. De
moordenaar die met Jezus werd gekruisigd en die zijn schuld beleed aan het kruis werd terstond
vergeven en zou diezelfde dag nog met Jezus in het paradijs zijn. Lucas 23, vers 42 en 43. Naast het
vergieten van het bloed van de schuldige aan een moord om verzoening te bewerken, is nu ook de
mogelijkheid gekomen van een schuldige om zich te bekeren en de schuld af te leggen bij het Lam
van God, dat de zonden van de wereld wegneemt. In dit geval hing de moordenaar al aan het kruis
en was de eerste dood zich al aan hem aan het voltrekken maar de eeuwige consequentie van zijn
daad, de tweede dood, was voor hem niet meer van toepassing. Door zijn bekering zou hij
uiteindelijk niet naar de poel van vuur gaan maar ging hij zelfs dezelfde dag nog naar het paradijs in
het hemels Jeruzalem.

De Bijbel reikt ons nu dus twee mogelijkheden aan tot verzoening voor een schuldige aan moord:
Het nemen van het leven van de schuldige en het afleggen van de schuld bij het eeuwige zoenoffer
van de Heiland, de onschuldige die de schuld van de mensheid op zich heeft genomen, het Lam dat
de zonden van de wereld heeft weggenomen.

Bloedschuld die rust op kerk en samenleving vandaag
In het eerste artikel hebben we de realiteit van bloedschuld in de Bijbel bekeken en de twee
manieren waarop bloedschuld gedelgd kan worden. In dit artikel kijken we naar de realiteit hiervan
in de kerk en in de wereld om ons heen. In het jaar 325 riep keizer Constantijn, later de Grote
genoemd, het eerste oecumenische concilie bijeen in Nicea. Dit was een kerkvergadering van alle
bisschoppen, alle kerkleiders in het Romeinse Rijk. Vanaf de verbreiding van het geloof vanuit
Jeruzalem tot aan de tijd van Constantijn waren er tien golven van vervolging geweest tegen de
gelovigen in het Romeinse Rijk. De keizer had op grond van een visioen de overwinning behaald op
zijn rivaal Maxentius en had vervolgens de kerk in zijn rijk staatserkenning gegeven. Nu wilde hij de
kerk gaan gebruiken om een sterkere eenheid in zijn rijk te smeden. De keizer was anti-Judaïstisch
en de besluiten van het concilie waren anti-Joods. De Joodse bisschoppen die er nog waren, waren
niet uitgenodigd. De aanwezige bisschoppen bogen allemaal voor de keizer en zijn visie. De
conciliebesluiten waarin de kerk losgesneden werd van zijn Joodse oorsprong, werden begeleid
door een anti-Joodse brief van de keizer, verspreid door het rijk en moesten verplicht geïmplementeerd worden.

Vanaf nu was het fundament van de kerk in het Romeinse Rijk anti-Joods en was de
vervangingstheologie, de leer waarin de Kerk zich in de plaats stelt van Israël, er de standaard.
Vanaf die tijd zien we dat het Rijk en de kerk in het Rijk de Joodse mensen het leven steeds
moeilijker gaan maken en in golven gaan vervolgen. Ook na het wegvallen van het westelijke deel
van het Rijk en heel veel later het oostelijke deel, blijft deze visie gehandhaafd. Er volgt een lange
lijdensweg van het Joodse volk, – bloedige vervolgingen in Spanje in de 6e en 7e eeuw, de
Kruistochten, de Pestepidemie, de uitzettingen uit vele landen, de Inquisitie, de vele pogroms in
Oost-Europa – waarin naar schatting tot aan de Sjoa (Holocaust) zo’n 6 miljoen Joden door de
eeuwen heen zijn omgekomen. En dan hebben we het alleen nog over de vervolging van de Joodse
mensen en niet over allerlei andere uitwassen van werelds en kerkelijk geweld tegenover groepen
als de Katharen, de Waldenzen, de Hugenoten, de onderlinge strijd tussen Katholiek en Orthodox,
tussen Katholiek en Protestant en andere afwijkende groeperingen, de heksenprocessen en de
medewerking en fundering van de slavernij, de opiumhandel en andere zaken. Om nog te zwijgen
over de moderne bloedschuldzonden zoals abortus en actieve euthanasie. Europa is bedekt met en
schuldig aan bloed, heel veel bloed. De culminatie van de Jodenvervolging is de Sjoa (de holocaust).
Het gaat hier om zes miljoen Joden die door de Nazi’s en hun helpers uit de volkeren vermoord zijn
in de concentratie- en vernietigingskampen en door de moordcommando’s in Oost-Europa en op de
Balkan. Daarnaast hebben anderhalf miljoen Joden dit inferno overleefd. Europa is bedekt met
bloed, met heel veel bloed en gaat gebukt onder een enorme bloedschuld.

Als we dan bedenken wat er aan verzoening is gedaan na de Tweede Wereldoorlog. In Duitsland zijn
de Evangelische Mariazusters opgestaan, een orde geheel gericht op het verzoenen van de
onnoemelijke schuld van Nazi-Duitsland. In Italië is de Focolare beweging opgestaan, gericht op de
verzoening. Ze zijn er gelukkig en daarnaast nog een aantal initiatieven maar het zijn druppels op de
gloeiende plaat. Hoe weinig is er daadwerkelijk gedaan aan verzoening in veel landen van Europa
waar kleinere of grotere delen van de bevolking passief of actief meegewerkt hebben aan de Sjoa.
Waar kerken of delen van kerken passief of actief meegewerkt hebben aan de Sjoa. Hitler kon zijn
gruwelijke daden rechtstreeks onderbouwen met het antisemitisme uit de geschriften van Luther.

Eeuwen en eeuwen van christelijk anti-Judaïsme hebben de basis geleverd waarop de Nazi’s verder
konden bouwen. Er is nog steeds een grote nood aan verzoening en schuldbelijdenis door kerkelijke
en staatsautoriteiten. Ook voor Calvijn was de vervangingstheologie een vast gegeven.
Tijdens en na de oorlog was men in ons land vooral geneigd om de schuld bij de Nazi’s en de
collaborateurs te leggen en niet de hand in eigen boezem te steken. Hier en daar gloorde er wel wat
licht, gelukkig. Het duurde enige tijd maar langzaam maar zeker kwam er een keer in de theologie
als gevolg van de Sjoa en de oprichting van de staat Israël, waardoor de christelijke wereld ineens
geconfronteerd werd met het Joodse probleem. Wat met de Jood? Die was theologisch toch allang
afgevoerd? En nu bleek die Jood massaal vermoord en tegelijk ineens nog springlevend te zijn en
ook nog eens een staat te hebben, die er volgens de vervangingstheologie niet mocht of kon zijn.
Met een shocktherapie is de HEER de kerken tegemoet gekomen in hun bekeringsproces. In de
Hervormde Kerk (nu PKN) kwam men op grond van een theologische reflectie tot de onopgeefbare
verbondenheid met het Joodse volk.

De Lutherse Wereldbond bracht in 1983 zijn eigen schuldbelijdenis uit. In de RKK bracht het Tweede Vaticaanse Concilie in de jaren 60 een ommekeer. En toch was er weinig echte schuldbelijdenis. Theologisch anders gaan denken op grond van de feiten is nog iets anders dan oprechte bekering en schuldbelijdenis vanuit het hart. Het eerste is mooi maar heeft zeer geringe invloed in de hemelse gewesten. Het tweede is wezenlijk en verzet daadwerkelijk bakens in de geestelijke wereld waardoor God meer genade kan vrijzetten. Vorig jaar was daarin voor ons land een doorbraakjaar waarin de koning sprak over de ongemakkelijke gevoelens die hij had bij de houding van zijn overgrootmoeder t.o.v. de Joden in WO II, de premier op 4 mei op de Dam schuld beleed voor de medewerking van de Staat, de scriba van de PKN schuld beleed tijdens de herdenking van Kristallnacht in een synagoge in Amsterdam en een aantal orthodox-calvinistische kerken, inclusief de Gereformeerde Bond, schuld beleden tijdens
hun zondagsdienst. Dat is de weg die wij moeten gaan om de bloedschuld te delgen die rust op
Europa en op Nederland ten gevolge van de medeplichtigheid aan de Sjoa.

Schuld die opgebouwd is in een land moet beleden worden op het niveau waarop de schuld is
aangegaan. Vandaar dat er een plek is voor schuldbelijdenis op koninklijk niveau, op staatsniveau,
op het niveau van kerkleiding voor het geheel en op het niveau van regio’s en lokale gemeentes.
En… na de belijdenis is het van belang dat de bekering ook handen en voeten krijgt in belijden en
handelen van degene die zich bekeert. Nederland kan van zijn bloedschuld afkomen door het te
erkennen, het aandeel in de schuld ervan te belijden, en vervolgens werken van bekering te tonen.
Zo kan de bloedschuld t.o.v. het Joodse volk gedelgd worden op alle niveaus van ons land en onze
maatschappij. Dan zal God zijn gelaat met steeds grotere volheid naar ons kunnen toewenden en
een vollere zegen kunnen schenken aan ons land. Dan zal de kerkelijke droogte minder worden en
kan er een milde regen gaan stromen over ons land. En als het proces van verzoening met de Joodse
gemeenschap en de uitzuivering van de eigen theologie een goede wending heeft genomen dan zal
er tevens afgerekend moeten worden met de andere gebieden uit onze cultuur en geschiedenis
waar nog een enorme schuld op ons land en onze kerk drukt.
Paul Jaeger, Utrecht, april 2022